arbeidskracht
mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑrbɛɪtskrɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het vermogen om arbeid te (kunnen) verrichten
- (economie) ieder van de personen die aan voornoemd criterium voldoen of daadwerkelijk werken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek