architectuur

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kunst (kunst), de bouwstijl van een gebouw, bouwstijl
    De architectuur geeft doorgaans de opvatting van de architect weer.
    Normaal gezien is licht als lucht, in die zin dat je vooral bij ontstentenis ervan in de verleiding komt te reflecteren op het belang ervan. Maar hier leek het licht door mensenhanden gemaakt, bij wijze van bekroning van de architectuur, als een laag bladgoud over een sculptuur of als een met zorg aangebrachte vernislaag over de voorstelling die deze van zichzelf had geschilderd. Maar deze vergelijkingen zijn te statisch, want daarbij was het licht voortdurend in beweging, alsof het de schaduwen achternazat.
  2. bouwkunde, wetenschap, techniek (bouwkunde), (wetenschap), (techniek), de kunst en de leer van het ontwerpen en uitvoeren van bouwwerken, bouwkunst
    In Delft kun je aan de TU architectuur studeren
  3. wetenschap, techniek (wetenschap), (techniek), conceptuele structuur en het functionele gedrag van computersystemen, systeemprogramma's en andere systemen of de beschrijving daarvan
    Wij hebben een stervormige architectuur in ons netwerk toegepast.

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsarchitecture
Fransarchitecture
DuitsArchitektur, Nachkriegsarchitektur
Spaansarquitectura
Italiaansarchitettura
Portugeesarquitetura
Russischархитектура
Chinees建筑
Japans建築
Koreaans건축
Arabischعمارة
Turksmimarlık
Poolsarchitektura
Zweedsarkitektur
Deensarkitektur