armatuur

vrouwelijk (de)/ɑrma'tyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wapening van een constructie
  2. elektrotechniek (elektrotechniek) houder voor een of meer lampen
  3. natuurkunde (natuurkunde) anker van een elektromagneet

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘draagconstructie’ voor het eerst aangetroffen in 1665

Vertalingen

Engelsarmature, brace, cramp-iron
Spaansarmadura, armazón