assistent

mannelijk (de)/ɑsi'stɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die een ander in diens taak ondersteunt
    Zijn assistent zorgde voor het maken van een nieuwe afspraak.
    Hij is de assistent van de burgemeester.
    Hij was gekleed in een uniform met de aanduidingen van de SOE en de rang van sergeant, gedoucht en geschoren toen hij op de afrondende afspraak verscheen met kolonel Grumpy, zoals iedereen de chef noemde, en zijn twee assistenten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘helper’ voor het eerst aangetroffen in 1535

Vertalingen

Engelsassistant
DuitsAssistent, Mitarbeiter, Helfer
Spaansayudante, asistente
Poolsasystent
Zweedsassistent