astma
/ˈɑs(t)ma/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaaktHij had speciale medicijnen tegen zijn astma.
Etymologie
* Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘aamborstigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1538
Vertalingen
Engelsasthma
Fransasthme
DuitsAsthma
Spaansasma
Italiaansasma
Portugeesasma
Turksastım
Poolsastma
Zweedsastma
Deensastma
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek