atoombom

mannelijk/vrouwelijk (de)/aˈtombɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
    Veel mensen vinden de atoombom een verschrikkelijk oorlogswapen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘nucleaire bom’ voor het eerst aangetroffen in 1945

Vertalingen

Engelsnuclear bomb
Fransbombe atomique
Spaansbomba nuclear, bomba atómica
Poolsbomba atomowa