audioapparatuur
vrouwelijk (de)/'ɔudijoɑparatyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (elektronica) apparatuur voor geluidsopname en/of geluidsweergaveEen platenspeler en cassetterecorder waren belangrijke onderdelen van de audioapparatuur die men vroeger thuis had. Tegenwoordig zijn een mp3-speler, een smartphone, een tablet en een computer belangrijker voor het afspelen of opnemen van muziek.
Etymologie
*afgeleid van apparatuur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek