avegaar

mannelijk (de)/ˈavəˌɣar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de schroef van Archimedes, ook als grondboor

Etymologie

* In de betekenis van ‘grote boor’ voor het eerst aangetroffen in 1404

Vertalingen

Engelsauger
Franstarière
Spaansbarreno