baanwedstrijd

mannelijk (de)/'banwɛtstrɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wedstrijd die op een speciaal geprepareerde baan gehouden wordt en dus niet op de weg, op het veld of in het open water
    Neem de geweldige lyriek van Frans Netscher, die anno 1890 helemaal in de ban is van het wonder van een baanwedstrijd: ‘Met een sierlijke zwenking vloog de machinesliert de bochten in, erdoor, eruit, zich weer strekkend in een rechte lijn op de lange-einden. De bovenlijven hingen over de stuurstangen, knikkend met de koppen, in een vlugge, lenige draaiwenteling van de benen.’ En zo maar door, tot aan de finish: ‘En er over geflunderd met zijn topvaart!’NRC 12 juni 2015