Baan

mannelijk/vrouwelijk (de)/baːn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het werk, een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer
    Ik heb sinds kort een baan bij dat bedrijf.
    De mensen die na veel aandringen iets wilden zeggen, deden dat anoniem. Ze waren doodsbang voor hun baantje.
    Pas na het passeren van Kearsarge Pass, toen we de uitgestrekte groene vallei van Kings Canyon in liepen, raakten we aan de praat. Het was fascinerend te horen hoe England zijn leven had ingericht. Hij had duidelijk lak aan conventies en had al jaren geen vaste baan.
  2. verkeer (verkeer) een verkeersweg of fysiek afgegrensd weggedeelte, voor rijverkeer of voor het opstijgen en landen van vlieg- en ruimtevaartuigen
    Die weg bestaat uit twee rijbanen, een fietspad, twee ventwegen en twee voetgangerspaden.
  3. natuurkunde (natuurkunde) het traject van een projectiel of hemellichaam
    De sonde draait nu in een baan om de zon.
  4. sport (sport) een voor sportwedstrijden geschikt gemaakt, langwerpig en vlak terrein, een rechte of rondgaande weg, of een deel van een vaar- of zwemwater
    De Duitse roeiers in baan drie hebben een duidelijke voorsprong.
    Hun volgende doel lag vijfentwintig meter verderop: het instructiebad, oftewel de plas water waar men in alle rust baantjes kon trekken.
  5. strook materiaal als (behang-)papier, vloerbedekking, (textiel-)stof,
    Een vlag met drie gekleurde banen.
  6. techniek (techniek) het rechthoekige bovenblad van een aambeeld
    In de baan van het aambeeld zit een vierkant gat waarin hulpstukken kunnen worden geplaatst.
  7. militair (militair) een terrein voor het houden van schietoefeningen
    Vandaag hebben we de hele dag dienst op de schietbaan.
  8. dat is van de baan: het gaat niet meer door
    Na het schandaal is de promotie van de baan.
  9. iets op de lange baan schuiven: iets uitstellen
    Hij heeft altijd mooie plannen maar hij schuift ze altijd op de lange baan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘betrekking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1739

Uitdrukkingen

  • ruim baan makende ruimte geven
  • iets op de lange baan schuivenstilletjes van plan zijn iets niet af te handelen
  • iets van de baan schuiveniets niet door laten gaan
  • iets in goede banen leidendreigende problemen voorkomen door goede begeleiding
  • flexibele baaneen baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een variabele aantal uren per week
  • reguliere baaneen baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een vast aantal uren per week

Vertalingen

Engelsjob, path, carriageway
Fransemploi, boulot, chaussée
DuitsStelle, Arbeitsstelle, Bahn