vlucht

mannelijk/vrouwelijk (de)/vlʏxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. luchtvaart (luchtvaart) van vliegen: het zich door luchtruim bewegen
    De KLM annuleerde deze vlucht naar Schiphol.
    Veel vakantiegangers weten nog steeds niet of hun vlucht vanaf Schiphol binnenkort doorgaat.
    Ze zijn met een vlucht eerder aangekomen en hebben al een wandeling door de stad gemaakt.
  2. dierkunde (dierkunde) een groep vliegende vogels
    Een vlucht regenwulpen vloog daar.
  3. van vluchten: het ontvluchten van bijvoorbeeld gevaar of straf
    Het leger sloeg op de vlucht.
    Thea weet niet of het paard ergens voor vlucht of juist komt uitrusten.
    Teresa vond haar een beetje lijken op een krab die op de vlucht sloeg voor een hoge golf, niet bij machte haar hoofd uit haar pantser te steken.
  4. luchtvaart, techniek (luchtvaart), (techniek) spanwijdte, vleugelwijdte

Etymologie

* van vliegen () of vluchten

Vertalingen

Engelsflight, swarm, run
Fransvol
DuitsFlug
Spaansvuelo, tropel, huida
Poolslot