post
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɔst/
Wat is de betekenis van post?
post betekent: () toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- () toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
- () (bedrijfskunde) de posterijen en hun werknemers
- (financieel) een boekhoudkundige term voor een geboekt (aantal) bedrag(en), uren of andere administratieve eenheden
- (bouwkunde) de stijl / het kader van een deur of raam
- een plek waar iemand gestationeerd is
- (economie) betrekking [2], dienstverband
- (internet) een (meestal kort) tekstbericht op een internetforum
voorzetsel
- op een later tijdstip of in een latere periode dan (als deel van aan het Latijn ontleende uitdrukkingen of in navolging daarvan)
Voorbeelden van "post" in een zin
- Maak jij de post even open?
- De nieuwe postbode bezorgt de post verkeerd, dus onze buurman klopt aan met een brief.
- Hij werkt bij de post.
- Wilt u een openstaande post afboeken?
- Ruim voor de afgesproken tijd zaten ze bewapend op hun post in het weiland en lagen er schouwen klaar bij de Lapperskade om de wapens verder mee te vervoeren.
Etymologie
*: van Latijn """
Uitdrukkingen
- per kerende post — zo snel mogelijk
- op de post doen — versturen via het postbedrijf
- post of propter
- pots, sopt, spot, stop, tops
Vertalingen
Engelspost, mail
DuitsPost
Poolspoczta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek