post

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɔst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. () toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
    Maak jij de post even open?
    De nieuwe postbode bezorgt de post verkeerd, dus onze buurman klopt aan met een brief.
  2. bedrijfskunde () (bedrijfskunde) de posterijen en hun werknemers
    Hij werkt bij de post.
  3. financieel (financieel) een boekhoudkundige term voor een geboekt (aantal) bedrag(en), uren of andere administratieve eenheden
    Wilt u een openstaande post afboeken?
  4. bouwkunde (bouwkunde) de stijl / het kader van een deur of raam
  5. een plek waar iemand gestationeerd is
    Ruim voor de afgesproken tijd zaten ze bewapend op hun post in het weiland en lagen er schouwen klaar bij de Lapperskade om de wapens verder mee te vervoeren.
  6. economie (economie) betrekking [2], dienstverband
    Want de arbeidersmeerderheid had het probleem dat ze geen opgeleide mensen hadden voor alle bureaucratische en politieke posten.
  7. internet (internet) een (meestal kort) tekstbericht op een internetforum
    Er was een post geplaatst met een link naar een interview met haar.
voorzetsel
  1. op een later tijdstip of in een latere periode dan (als deel van aan het Latijn ontleende uitdrukkingen of in navolging daarvan)

Etymologie

*: van Latijn """

Uitdrukkingen

  • per kerende postzo snel mogelijk
  • op de post doenversturen via het postbedrijf
  • post of propter
  • pots, sopt, spot, stop, tops

Vertalingen

Engelspost, mail
DuitsPost
Poolspoczta