ambt
onzijdig (het)/ɑmt/
Wat is de betekenis van ambt?
ambt betekent: officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
- geestelijke taak of dienst die iemand beroepshalve uitvoert
Voorbeelden van "ambt" in een zin
- Het ambt van politieagent, minister, leerplichtambtenaar.
- Zo waren er bijvoorbeeld geliefden als Abigail Adams en haar echtgenoot John, de tweede president van de Verenigde Staten, wier warme en vertederende relatie alom door de romantici werd bejubeld als een voorbeeld van een huwelijk zoals het voor iedereen kon zijn (in plaats van als een charmant sprookje, voor net zo weinig mensen weggelegd als het ambt van president).
- Het ambt van priester, diaken.
- In vroeger tijden zat die begeerlijkheid hem niet alleen in de status van het ambt maar strekte die zich ook uit tot de gebiedsdelen waarover de vorst of vorstin de scepter zwaaide.
Etymologie
*via Middelnederlands """ / "ammet" van "ampt", cognaat met ambacht, in de betekenis van ‘openbare, hogere betrekking’ aangetroffen vanaf 1347
Uitdrukkingen
- Met het ambt komt het verstand — Stoett-79 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
DuitsAmt
Spaansoficio
Italiaansufficio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek