ambt

onzijdig (het)/ɑmt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
    Het ambt van politieagent, minister, leerplichtambtenaar.
    Zo waren er bijvoorbeeld geliefden als Abigail Adams en haar echtgenoot John, de tweede president van de Verenigde Staten, wier warme en vertederende relatie alom door de romantici werd bejubeld als een voorbeeld van een huwelijk zoals het voor iedereen kon zijn (in plaats van als een charmant sprookje, voor net zo weinig mensen weggelegd als het ambt van president).
  2. geestelijke taak of dienst die iemand beroepshalve uitvoert
    Het ambt van priester, diaken.
    In vroeger tijden zat die begeerlijkheid hem niet alleen in de status van het ambt maar strekte die zich ook uit tot de gebiedsdelen waarover de vorst of vorstin de scepter zwaaide.

Etymologie

*via Middelnederlands """ / "ammet" van "ampt", cognaat met ambacht, in de betekenis van ‘openbare, hogere betrekking’ aangetroffen vanaf 1347

Uitdrukkingen

  • Met het ambt komt het verstandStoett-79 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

DuitsAmt
Spaansoficio
Italiaansufficio