babi
mannelijk (de)/ˈbabi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Nederlands-Indië) (landbouw) varken, zwijn; naam voor soorten uit het geslachtDe fietser moest volgens "damai"-vonnis een biggetje van f 5 slachten en dit met de noodige rijst thuis bij den ouden man bezorgen en tegelijk vergiffenis vragen. De twee vechtlustigen moesten ook een babi slachten van dezelfde waarde.
- (voeding) (Indische keuken) varkensvleesSoms brengen de Chinezen hun hele familie mee: moeder de vrouw, dik en welgedaan vanwege de ‘bami’ en de ‘babi’, in kabaja met kanten en veel gelang mas; en kleine kinderen met schuine muizenoogjes en opgesierd met onkinderlijke kettingen en slingers, waaraan medaillons en gouden munten.
- (Nederlands-Indië) (scheldwoord) varken"Hé Kampret! Babi loe!" schreeuwde ik woedend, geen acht slaand op de biologische onmogelijkheid.
Etymologie
*van "babi"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek