baden
/ˈbadə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een bad nemenHij baadt in de Dode Zee ter behandeling van zijn huidaandoening.Ik hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.
- op een aangename manier omgeven zijn door ietsZij baadden in weelde.
- (ov) in bad doenHij baadde de kinderen iedere avond voor het slapen gaan.
Vertalingen
Engelsbathe, have a bath, bathe
Duitsbaden, baden
Spaansbañarse, bañar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek