badhuis

onzijdig (het)/'bɑthœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. openbare inrichting waar men tegen betaling een bad of douche kan nemen
    Toen nog niet alle woningen een eigen douche of bad hadden, ging men wekelijks naar het badhuis
    Ik moest denken aan de badhuizen waar ik als kind kwam en waar ik van vrouwenlichaam naar vrouwenlichaam werd meegedragen, onder twee massieve borsten het martelende gekneed van goedbedoelende grote handen zachtjes kermend verdroeg, want wie wil er nou niet schoon uit het badhuis komen.

Vertalingen

DuitsBadehaus
Spaanscasa de baños, establecimiento de baños, estación balnearia