bagage
vrouwelijk (de)/baˈɣaʒə/
Wat is de betekenis van bagage?
bagage betekent: een verzameling van eigendommen van een reiziger
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een verzameling van eigendommen van een reiziger
- (figuurlijk) iets dat men voortdurend in zich meedraagt en ervaart
Voorbeelden van "bagage" in een zin
- De bagage van de reiziger paste maar net in de koffer.
- Als na een beproeving ging het slot na een paar pogingen open, en binnen een paar tellen stond Hind el Arian met bagage en al in de hal.
- Ik drukte mijn sigaret uit in de bloempot die ons tot asbak had gediend. Hij deed hetzelfde en sprong overeind om zich over mijn bagage te ontfermen.
- Emotionele bagage.
- Nee, nee, zij draagt voortaan haar eigen bagage want op anderen steunen is jezelf in de voet schieten, is je eigen graf delven, daar kan je van op aan.
Etymologie
*afgeleid van het Franse bagage () [https://fr.wiktionary.org/wiki/bagage Wiktionnaire]
Vertalingen
Engelsluggage
Fransbagages
DuitsGepäck
Spaansequipaje
Russischбагаж
Poolsbagaż
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek