bagage

vrouwelijk (de)/baˈɣaʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verzameling van eigendommen van een reiziger
    De bagage van de reiziger paste maar net in de koffer.
    Als na een beproeving ging het slot na een paar pogingen open, en binnen een paar tellen stond Hind el Arian met bagage en al in de hal.
    Ik drukte mijn sigaret uit in de bloempot die ons tot asbak had gediend. Hij deed hetzelfde en sprong overeind om zich over mijn bagage te ontfermen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets dat men voortdurend in zich meedraagt en ervaart
    Emotionele bagage.
    Nee, nee, zij draagt voortaan haar eigen bagage want op anderen steunen is jezelf in de voet schieten, is je eigen graf delven, daar kan je van op aan.

Etymologie

*afgeleid van het Franse bagage () [https://fr.wiktionary.org/wiki/bagage Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsluggage
Fransbagages
DuitsGepäck
Spaansequipaje
Russischбагаж
Poolsbagaż