last

mannelijk (de)/lɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets wat een mens hindert
    Ik heb erge last van hoofdpijn.
    Ik filterde zo snel mogelijk een liter water voor mijn avondmaal en zocht een wat hogerop gelegen plek in de hoop daar wat minder last van de insecten te hebben.
  2. transport (transport) lading, vracht

Etymologie

* In de betekenis van ‘vracht’ voor het eerst aangetroffen in 1122

Uitdrukkingen

  • iemand heeft last van iets
  • op last vanop order van|
  • Het eind zal de last dragenmoeilijkheden en problemen komen vooral als het werk bijna af is
  • Holland is in last
  • Leiden in last zijneen echt probleem zijn
  • vaste lastende kosten die men iedere maand moet maken zoals de huur, hypotheeklasten, verzekeringen, abonnementen

Vertalingen

Engelsburden
DuitsBürde, Last
Poolsprzeszkoda, trudność, restrykcja