bahco

mannelijk (de)/ˈbako/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) dankzij een schroefdraad verstelbare steeksleutel
    Eigenlijk moet je nooit een bahco gebruiken, iedere moer krijg je ermee kapot en geen enkele moer krijg je ermee los.
    Zoals de domme man betaamt begon ik om halfnegen 's avonds dan maar eindelijk eens onze oude wc te repareren. Om half tien had ik steeksleutel negentien nodig. Even kijken: vijftien, zestien, dan maar een bahco, te klein, past ook niet. (…) Om half één draai ik toch maar met een waterpomptang een vijftig jaar oude moer helemaal rond en bekijk ik woedend m'n geschaafde knokkels.

Etymologie

*van de Zweedse merknaam een verkorting van B.A. Hjorth & Co, waaronder dit gereedschap voor het eerst op de markt kwam, in de betekenis van ‘Engelse sleutel’ voor het eerst aangetroffen in 1994

Vertalingen

Engelsadjustable spanner