bakplaat

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɑkplat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden, kookkunst (huishouden) (kookkunst) ijzeren plaat in een oven waarop het deeg geplaatst wordt
    Ze liep de woonkamer binnen, in haar handen een bakplaat met iets wat op aangebrande zoete aardappelen leek.

Vertalingen

Spaansbandeja de horno