baksteen

mannelijk (de)/ˈbɑksten/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit klei of leem gebakken steen
    Voor de bouw van het huis zijn bakstenen gebruikt.
    De buitenproportioneel grote klokkentoren van rode baksteen met een witte marmeren omgang en een groen puntdak bracht met zijn asymmetrische plaatsing een belachelijk contrapunt aan in de rationele, paradeerbare ruimte, dat juist vanwege het feit dat het concessieloos gewaagd en overdreven was effectief en elegant uitpakte.

Uitdrukkingen

  • Met een baksteen in de maag geboren wordenEen huis voor zichzelf willen hebben

Vertalingen

Engelsbrick
Fransbrique
DuitsBackstein, Ziegelstein, Ziegel
Spaansladrillo
Italiaansmattone
Portugeestijolo
Russischкирпич
Japans煉瓦
Poolscegła
Zweedstegel, tegelsten, mursten
Deensmursten