balkon
onzijdig (het)/bɑlˈkɔn/
Wat is de betekenis van balkon?
balkon betekent: een bouwkundig onderdeel op een etage dat uit de gevel naar voren springt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een bouwkundig onderdeel op een etage dat uit de gevel naar voren springt
- een bepaalde plaats in tram of trein
- een rang in een theater of bioscoop
Voorbeelden van "balkon" in een zin
- Het balkon bij een paleis is vooral van belang voor de balkonscène.
- Ik liep naar het balkon. Ik hield mezelf met beide handen vast aan de smeedijzeren reling. Ik wilde er in amazonezit mijn benen overheen slaan en de stervensaria van Donizetti zingen om me vervolgens te pletter te laten vallen. {{Aut|Sandes, David
- Ik wrong alles uit en hing mijn druipende shirt, sokken en broek op het balkon.
- Helemaal achterin de tramwagon was vroeger een opstapje dat het balkon heette.
- Het balkon is boven de grote zaal gelegen en heeft zo een vrij uitzicht op het toneel, maar is wel verder van het toneel af gelegen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open uitbouw van huis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1663
Vertalingen
Engelsbalcony
Fransbalcon
DuitsBalkon
Spaansbalcón
Italiaansbalcone
Poolsbalkon
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek