bandiet
mannelijk (de)/bɑnˈdit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) iemand die misdaden pleegtZe zouden die bandiet een lange tijd op moeten sluiten.
- (in afgezwakte betekenis) deugniet, schavuit [2], vooral gebruikt voor kinderen
- (verouderd) struikrover
Etymologie
* Via "Bandit" van "bandito" (< Latijn bannitus). In de betekenis van ‘struikrover’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Uitdrukkingen
- eenarmige bandiet — fruitautomaat
Vertalingen
Engelsbandit
Fransbandit
DuitsBandit
Spaansbandido
Italiaansbandito
Russischбандит
Poolsbandyta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek