bandwerk

onzijdig (het)/'bɑntwɛrk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zaken die men in groten getale maakt zonder veel variatie
    Grunberg was een fabriekje geworden, en er raakte sleet op de kwaliteit van zijn bandwerk.
  2. bandvormige versiering in een bouwwerk
    Het gebouw oogt in eerste instantie een beetje protserig met zijn rode bakstenen gevel, bandwerk in natuursteen en spitse, gotisch aandoende bogen.