banjo
mannelijk (de)/ˈbɑɲo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) snaarinstrument met een ronde klankkast dat bij tokkelen korte, harde klanken geeftIn 1948 hoorde Bert Methöfer, die banjo speelde, van een vriend in Rotterdam dat uit een school in de Tidemanstraat op bepaalde avonden jazzmuziek schalde. Methöfer stapte er naar binnen, maakte kennis met de muzikanten en vroeg of hij banjo mocht komen spelen. De banjo bleek een versterking; gaf het spel een strakker ritme.
Etymologie
*van Amerikaans "banjo"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek