banjer
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Bargoens) patser
Uitdrukkingen
- Een banjer — d.i. een groot ‘heer’, die zich permantig aanstelt; fri. in banjer; dial. banjert. Ook als scheldwoord gebruikt: vuile banjer (gemeen beest, kreng; Jord. 41). Men houdt dit woord voor een verkorting van banjerheer d.i. bander (baander)heer (vgl. anjer voor ander5)); zie V. Janus III, 221: als baanderheeren voor den dag komen) [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org Stoett-157]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek