bankkluis

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɑŋklœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (deel van een) brandkast in een bankgebouw
    Het is een grote bankkluis, met een dikke deur, in de kelder van Paisley Park. NRC Bernard Hulsman 23 april 2016
    In een koffiehuis is een oude bankkluis omgebouwd tot een werkruimte met een Hemingway-thema, op straat zie ik een fotomozaïek van dat iconische gezicht met de volle, grijze kapiteinsbaard. NRC Auke Hulst 1 november 2016