bankpost
mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɑŋkpɔst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wit schrijfpapier, minimaal 45 gr ook geschikt om op te typen of om op te printen
- bankafschrift die op papier via de post wordt verzonden„Dat was niet altijd even gemakkelijk. Maar ik stelde vragen. „Ik vroeg: ‘Wie heeft er internet thuis’. Iedereen stak zijn hand op. ‘En wie van jullie gebruikt internet bankieren’. Het bleek het gemiddelde van Nederland, 67 procent. ‘En wie laat de bankpost vaak ongeopend liggen?’ Weer veel handen omhoog. Ten slotte vroeg ik: ‘Wie verwarmt zijn huis nog met steenkool?’ Dat was niemand natuurlijk. Er is nog genoeg steenkool, maar we hebben allang betere alternatieven.” De moraal van Koorstra’s verhaal ten overstaan van zijn eigen postbodes: post is binnenkort ook steenkool. NRC Lolke van der Heide 4 juli 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/07/04/over-tien-jaar-is-er-geen-post-meer-in-nederland-11750691-a430306 'Over tien jaar is er geen post meer in Nederland']
- functie bij een bankHet Franse eerbetoon aan Duisenberg trekt enige extra aandacht omdat Parijs de kandidatuur van de eigen bankpresident Jean-Claude Trichet voor de hoogste Europese bankpost vorig jaar stelde tegen een vrijwel unanieme voorkeur die zich had afgetekend ten gunste van Duisenberg. NRC 4 september 1998 [https://www.nrc.nl/nieuws/1998/09/04/duisenberg-krijgt-hoge-onderscheiding-van-frankrijk-7413231-a91345 Duisenberg krijgt hoge onderscheiding van Frankrijk]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek