basiliek

vrouwelijk (de)/bazi'lik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een ere-titel voor een Katholieke Kerk.
    In Almelo staat een basiliek.
    Ik keek. De gestrenge gevels met de arcades stuurden de blik met majesteitelijk gezag in de richting van de basiliek van San Marco, die met haar koepels en ronde vormen een bubbelend en bijna buitenaards contrast vormde met het wereldse machtsvertoon van het plein.
  2. een rechthoekig meerschepige kerk
    De basiliek stamt af van de basilica uit de romeinse tijd.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘christelijke kerk’ voor het eerst aangetroffen in 1869

Vertalingen

Engelsbasilica
Fransbasilique
DuitsBasilika
Spaansbasílica