basisschool
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbazɪsxoɫ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs) een school voor lager onderwijsMorgen zal hun zoontje voor het eerst naar de basisschool gaan.In de Baptistenkerk aan de Hoofdweg zijn deze woensdagmorgen de groepen 6, 7 en 8 van de basisscholen De Blokstoeke en De Fontein bijeen. Want het is Dankdag voor Gewas en Arbeid. En waar in grote delen van Nederland deze christelijke feestdag een vrijwel onbekend fenomeen is geworden, wordt er hier in Westerhaar volop aandacht aan besteed. Tubantia 08-11-07 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/basisscholen-westerhaar-vieren-dankdag~ac2c5c7a/ Basisscholen Westerhaar vieren Dankdag]De laatste keer dat ze een mode-show had gelopen, was op de basisschool.
Vertalingen
Engelsprimary school
Fransécole primaire
DuitsGrundschule
Spaansescuela primaria, escuela elemental
Poolsszkoła podstawowa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek