basset
mannelijk (de)/bɑˈsɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gevlekte 'drijvende' jachthond met korte poten en hangoren
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1865
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek