beamen

/bə'amən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bevestigen dat men het eens is met iets, instemmen met
    Hij beaamde de berichten daarover.
    Ondanks de gure wind die allerlei openingen in haar kleding vond, beaamde Chantal zijn woorden met een warme glimlach.
werkwoord
  1. ov (ov) projecteren (met een beamer)

Etymologie

* [B] van het Engels 'to beam'

Vertalingen

Engelsconfirm, affirm, approve
Fransapprouver
Duitseinverstanden sein mit
Spaansconfirmar, afirmar, aprobar
Poolspotwierdzać