bedaren

onzijdig (het)/bə'darə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) tot rust komen, kalm worden
    Eindelijk bedaarde de vreselijke storm en kon het reddingswerk beginnen.
    Langzaam voelde ik mijn hart weer tot bedaren komen.
    Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
  2. ov (ov) kalm maken
    Hij kon het kind slechts bedaren door het een ijsje aan te bieden.
zelfstandig naamwoord
  1. rust, kalmte
    Met zijn vaderlijk gezag wist hij de jongens tot bedaren te brengen.

Etymologie

*Afkomstig van hem bedaren,"tot zichzelf komen. Verwanten zijn beperkt tot bedearje. Mogelijk verwant aan bedeesd, daas. In dat geval is een wortel *daz- te vermoeden.

Vertalingen

Engelscalm down, calm, quiet
Spaanscalmarse, asosegarse, sosegarse
Zweedsbedarra, mojna, avta