bedoening

vrouwelijk (de)/bə'dunɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. druk gedoe
    Gekidnapt in Jemen: vroeger 'all-inclusive-paradijs', nu levensgevaarlijke bedoening.
    Bij aankomst was het een wilde bedoening: te veel mensen, te veel drank en te veel drama’s. Ik speelde al een tijdje met de gedachte om alleen verder te lopen en voelde dat dat moment nabij was.
    Afijn, zoals gebruikelijk zat ik daar een beetje te genieten van die baldadige bedoening totdat het weer rustig werd en Hind bij me kwam zitten.
  2. inrichting

Etymologie

* van doen

Vertalingen

Engelsfuss, to-do