bedreigen
/bəˈdrɛiɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand bang makenHij bedreigde hem met een mes.Je had heel geconcentreerd naar hem geluisterd en toen hij klaar was begon je hem heel kalm, met een stem die me rillingen over mijn hele lijf gaf, te bedreigen.
- een gevaar zijnHet dier kan een parasiet met zich meedragen die rattenlongworm wordt genoemd en hersenvliesontsteking kan veroorzaken bij mensen en vee. Het dier bedreigt met zijn eetlust ook landbouwgewassen, schrijft de Amerikaanse krant USA Today.
Etymologie
*Afgeleid van dreigen
Vertalingen
Engelsthreaten
Duitsbedrohen
Spaansamenazar, conminar
Poolsgrozić
Zweedshota
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek