bedreigen

/bəˈdrɛiɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand bang maken
    Hij bedreigde hem met een mes.
    Je had heel geconcentreerd naar hem geluisterd en toen hij klaar was begon je hem heel kalm, met een stem die me rillingen over mijn hele lijf gaf, te bedreigen.
  2. een gevaar zijn
    Het dier kan een parasiet met zich meedragen die rattenlongworm wordt genoemd en hersenvliesontsteking kan veroorzaken bij mensen en vee. Het dier bedreigt met zijn eetlust ook landbouwgewassen, schrijft de Amerikaanse krant USA Today.

Etymologie

*Afgeleid van dreigen

Vertalingen

Engelsthreaten
Duitsbedrohen
Spaansamenazar, conminar
Poolsgrozić
Zweedshota