bedrijvigheid

vrouwelijk (de)/bə'drɛɪvəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bezig zijn van mensen of bedrijven, het werken, de drukte
    In de haven van Rotterdam is altijd veel bedrijvigheid.
    Het is een verleidelijk beeld, als je langs talloze kerken en kastelen rijdt, door stadjes waar geen leven te bekennen is, laat staan enige moderne vorm van bedrijvigheid. Maar daarmee misken je de dynamiek die je even goed langs de Nationale 7 aantreft.

Etymologie

*afgeleid van bedrijvig

Vertalingen

Engelsactivity, stir, vigour
Spaansactividad