bedrust

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɛtrʏst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de rust die je in bed geniet
    Hij genoot van de welverdiende bedrust.
  2. voorschrift van een arts waarbij de patiënt ook overdag in bed moest blijven liggen
    Vroeger schreven artsen bij veel klachten bedrust voor, tegenwoordig moet je bijna altijd je bed uit van de dokter.