Beek

mannelijk/vrouwelijk (de)/bek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kleine, ondiepe, doorwaadbare waterloop
    De Doorbraak is een nieuwe kunstmatige beek bij Almelo.
    Een enkele keer was het aangegeven beekje opgedroogd of was de watertank leeg, zodat ik moest doorlopen naar de volgende bron.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands bēke, ontwikkeld uit Oergermaans *baki-, bij Indo-Europees *bʰog-, waartoe ook Iers búal ‘stromend water’ en Russisch bagnó ‘moeras’ behoren. Evenals Nederduits Beek, Duits Bach en misschien Engels beach ‘strand’.

Vertalingen

Engelsbrook
Fransruisseau
DuitsBach
Spaansarroyo, riachuelo
Italiaansruscello
Portugeesregato, riacho, ribeirinho
Russischручей
Chinees小河
Japans小川
Arabischغدير
Poolsstrumyk, potok
Zweedsbäck