beestje
/ˈbeʃə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein diertje, insect, bacterie, wormEr zaten opeens een hele lading kleine beestjes op de voorruit.
- (informatica), (informeel) foutje in het programmaEr zitten wat beestjes in de nieuwste versie van onze software.
Etymologie
*[3] vergelijk "bug"
Uitdrukkingen
- De aard van het beestje zijn — een eigenschap van iets/iemand zijn|n=1
- Huisje-boompje-beestje — n=1
Vertalingen
Spaansbicho
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek