begaan

/bəˈɣan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets doen dat onjuist of verboden is
    Hij beging daarmee een grote vergissing.
    De blik in de ogen van Heleen was die van een waanzinnige die op het punt staat een gruweldaad te begaan.
  2. ov (ov) een plaats betreden
    Je begaat daarmee wel glad ijs.
werkwoord
  1. gepleegd.
    De begane overtreding wordt bestraft met een boete.
  2. waarover men gewoonlijk loopt, de verdieping die op straatniveau ligt
    We liepen op de begane grond.
  3. emotioneel betrokken
    Hij was begaan met het lot van de vluchtelingen.

Etymologie

*Afgeleid van gaan .

Uitdrukkingen

  • laten begaan

Vertalingen

Engelscommit, tread, walk
Duitsverüben, begehen
Spaanscometer, perpetrar, hollar
Poolspopełniać