begerigheid
vrouwelijk (de)/bə'ɣerəxhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het heel ergens naar verlangenRik kreeg weer een wilde blik in zijn ogen. Hij kuste Marjoleins borsten met een begerigheid alsof hij de Internationale in zijn eentje tweestemmig zong.
- iets waar men heel erg naar verlangt
Etymologie
* afleiding van begerig
Vertalingen
Engelsvoracity, greediness, avidity
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek