behoeden

/bəˈhudə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand ~ voor voor een gevaar beschermen
    Dat behoedde de economie voor een ineenstorting.
    God zal je behoeden, wenste de vader zijn dochter toe toen ze op kamers ging wonen.
    Het verlies van zijn vrouw had zijn wereld ineen doen storten. Op de puinhopen van zijn bestaan strompelde hij van steen naar steen. Enkel de liefde voor zijn dochtertje behoedde hem voor een fatale struikelpartij. ‘Zij spreekt met iemand in de hemel, lieverd.
  2. refl (refl) zich ~ voor zorgen dat men een fout vermijdt
    Hij behoedde zich ervoor daarover al te veel te zeggen.

Etymologie

*Afgeleid van hoeden