beiden
/bɛɪdə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) treuzelen
- (ov) afwachten
telwoord
- elk van twee personenHij had beiden een kopie van zijn nieuwe roman gegeven.Hoe pak je de voorbereidingen het beste aan? Simpel, in vier stappen. Besteed de eerste drie maanden aan het overtuigen van je partner dat dit een goed idee voor jullie beiden is.Misschien is ze hier wel aanwezig en kijkt ze heimelijk naar hen beiden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘wachten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek