bekken
onzijdig (het)/ˈbɛkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vrij ondiepe maar brede ronde schaal
- (anatomie) het gebeente tussen beide heupenMensen hebben een nauw bekken en dat kan bij de geboorte van een kind een groot probleem zijn.
- (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerpBekkens worden los gebruikt maar ook per twee tegen elkaar geslagen.
- (geologie) (aardrijkskunde) glooiende laagte, bodeminzinking, stroomgebied
werkwoord
- op een enthousiaste manier zoenenPieter stond in de hoek te bekken met die blondine.
- goed in de mond liggenDie titel bekt niet lekker en kan beter veranderd worden.
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘ring van de heupbeenderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1702
Vertalingen
Engelspelvis, cymbal
DuitsBecken, Becken, Becken
Spaansfuente, pelvis, platillos
Deensbækken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek