bel

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛl/

Wat is de betekenis van bel?

bel betekent: klok, schel, zoemer

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klok, schel, zoemer
  2. jachttaal (jachttaal) Falkenschelle
  3. rond ornament dat op het lichaam aangebracht wordt; oorbel
  4. scheikunde (scheikunde) luchtblaas in water, zeepbel
  5. geologie (geologie) grote hoeveelheid gas in de bodem
  6. voeding (voeding) groot glas
  7. muziekinstrument (muziekinstrument) een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel, bedoeld om een muzikale klank voort te brengen ter oproep of ten teken
  8. verouderd (verouderd) onverzorgd ogende, onaantrekkelijke vrouw (nog gangbaar als tweede deel samenstellingen)
zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) eenheid van geluidsintensiteit

Voorbeelden van "bel" in een zin

  • Hij hoorde de bel gaan en liep naar de deur om open te doen.
  • Het meisje droeg een mooie parel als oorbel.
  • Een zeepbel ontstaat door de oppervlaktespanning van water.
  • De aardgasbel heeft voor veel welvaart gezorgd in Nederland.
  • Ik dronk een grote bel wijn.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gasbolletje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586

Uitdrukkingen

  • [1] (spreektaal) (schertsend) aan de bel trekken
  • [1] (spreektaal) (schertsend) de kat de bel aanbinden

Vertalingen

Engelshandbel
DuitsBimmel, Glocke, Klingel
Russischзвонок