bel
mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klok, schel, zoemerHij hoorde de bel gaan en liep naar de deur om open te doen.
- (jachttaal) Falkenschelle
- rond ornament dat op het lichaam aangebracht wordt; oorbelHet meisje droeg een mooie parel als oorbel.
- (scheikunde) luchtblaas in water, zeepbelEen zeepbel ontstaat door de oppervlaktespanning van water.
- (geologie) grote hoeveelheid gas in de bodemDe aardgasbel heeft voor veel welvaart gezorgd in Nederland.
- (voeding) groot glasIk dronk een grote bel wijn.
- (muziekinstrument) een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel, bedoeld om een muzikale klank voort te brengen ter oproep of ten tekenWij klingelden met een belletje om aandacht van het personeel te vragen.
- (verouderd) onverzorgd ogende, onaantrekkelijke vrouw (nog gangbaar als tweede deel samenstellingen)
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) eenheid van geluidsintensiteitIn plaats van de bel gebruiken we meestal de decibel als geluidsmaat.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gasbolletje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586
Uitdrukkingen
- [1] (spreektaal) (schertsend) aan de bel trekken
- [1] (spreektaal) (schertsend) de kat de bel aanbinden
Vertalingen
Engelshandbel
DuitsBimmel, Glocke, Klingel
Russischзвонок
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek