belastingsdruk

mannelijk (de)/bəˈlɑstɪŋzˌdrʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de hoeveelheid geld die men moet betalen aan de overheid (met een negatieve connotatie)
    ‘Ik ben eigenlijk heel tevreden omdat de belastingen gaan dalen', zo reageerde N-VA- voorzitter Bart De Wever, een van de onderhandelaars, voor de camera van de VRT op het kersverse regeerakkoord. ‘We gaan nieuwe belastingen heffen, maar de globale belastingsdruk zal met meer dan 400 miljoen euro dalen.’
    Het doel blijft de belastingsdruk te verschuiven, weg van de lasten op arbeid. In de komende weken en maanden gaat dat werk voort, maar de regering is nu eenmaal nog maar net aan de slag, argumenteerde Michel.