belezer

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zaken (met een toverspreuk) onder controle probeert te krijgen of te houden
  2. exorcist, duiveluitdrijver
  3. iemand die kan genezen door handoplegging
    Op het platteland was in vrijwel elk gehucht wel iemand die hulp kon bieden bij kleine kwalen als verstuikingen, wratten, brandwonden, kiespijn en dergelijke. Onder het prevelen van zorgvuldig geheim gehouden bezweringen werd dan 'de hand opgelegd'. Het ging hier meestal om mannen, maar ook enkele vrouwen stonden bekend als 'strijker' of 'belezer'.

Etymologie

* van belezen