belezenheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het veel (boeken) gelezen hebben en daardoor veel kennis bezittendDaarbij was hij volgens zijn zoon geen archiefrat: "De laatste keer dat hij een archief zag, was toen hij omstreeks 1960 werkte aan zijn dissertatie." Hij baseerde zich op literatuur en gebruikte zijn belezenheid om over geschiedenis te denken en erover te schrijven.
Etymologie
* afleiding van belezen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek