beo
mannelijk (de)/ˈbejo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) bepaald soort vogel, uit de familie van de spreeuwachtigen,
Etymologie
* van """, in de betekenis van ‘zangvogel’ aangetroffen vanaf 1883
Vertalingen
Engelsmyna
Fransmainate
DuitsBeo
Spaansmainá
Italiaansstorno triste
Deensbeostær
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek