beplanking

vrouwelijk (de)/bə'plɑŋkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de verzameling houten planken waarvan iets gemaakt is; het houten beschot
    Toen hij langs de Dansberget was geroeid, haalde hij de riemen binnen, pakte het hoosvat en begon de boot van achteruit met water te vullen, hij spoelde de boot dus vanbinnen schoon, de doften, de bodem en de beplanking en hoosde hem daarna leeg.

Etymologie

* afleiding van (nomact) beplanken